Rp p ob 5626

In de vier eeuwen dat het statige Huis De Pinto zich in de Sint Antoniesbreestraat bevindt, heeft het zich ontwikkeld tot een symbool van de Nieuwmarktbuurt. Waar het huis in de Gouden Eeuw een teken van rijkdom was, en symbool stond voor de aanwezigheid van de Joodse elite, speelde het in de roerige jaren zeventig een belangrijke rol in het denken over de inrichting van de binnenstad. Als bibliotheek heeft het pand sindsdien een verbindende rol gespeeld in de buurt. Deze rol wordt nu, na het sluiten van de bibliotheek, vervuld en verder uitgewerkt door Cultureel & Literair Centrum Huis De Pinto. Een fractie van de rijke geschiedenis van Huis De Pinto wordt hieronder beschreven.

Om de strijd met overstromingen te beslechten, ondernam het groeiende dorp Amsterdam vanaf de dertiende eeuw meer en meer actie om de grillen van het water tegen te gaan. Dit resulteerde in de aanleg van de dam en, minder bekend, van de Zeedijk en de Sint Antoniesdijk. De laatste ontwikkelde zich tot een belangrijke toegangsweg naar de stad en stond in de zestiende eeuw ook wel bekend als de ‘Bredestraat’ of ‘Breestraat’.

Hier zag de Zuidnederlandse zuivelhandelaar Jan Janz. Carel (1545-1616) in 1605 op drie van zijn recent aangekochte percelen een dubbel herenhuis verrijzen, voorzien van een pakhuis aan de achterzijde. Het gebouw zou later bekend worden als ‘Huis De Pinto’. Tot voor kort werd de Breestraat nog omgeven door een moerassig gebied aan de ene kant en boomgaarden aan de andere zijde, maar doordat het gebied de Lastage aan het eind van de zestiende eeuw door de stad werd ‘ingesloten’ en de (scheeps)industrie zich verder naar het Oosten verplaatste, bevond de Breestraat zich nu midden in een populaire woonbuurt. Naast vermogende kooplieden, trokken ook prominente kunstenaars de wijk in, waaronder Pieter Lastman en Rembrandt van Rijn.

Na de dood van Carel in 1618, werd het pand bewoond door diverse kooplieden, maar het was de uit Rotterdam afkomstige Antwerpenaar en handelaar Isaac de Pinto, die het pand in 1651 kocht en zich er permanent zou vestigen. De verbouwing van het interieur ging niet onopgemerkt voorbij; zo sprak de Engelsman Joseph Shaw rond 1654 over een kamer betegeld met gouden dukaten (waarschijnlijk goudleer). Mocht er nog twijfel bestaan over de grandeur van het huis dan kan men de prent van Romeyn de Hooge uit 1686 raadplegen. Met het opschrift ‘Hof van de E: Heer de Pinto’ en het sjieke publiek voor de deur - staat daar ook een donkere jongen tussen, een slaaf en dus ook een teken van rijkdom? - wordt duidelijk dat het hier om zeer vermogende mensen gaat. Het pand op de afbeelding zal niet meer te herkennen zijn als het dubbelhuis dat Isaac in 1651 kocht; in 1686 had Isaacs’ zoon David de stadsbouwmeester Elias Bouman, bekend van de Portugese Synagoge, een enorme gevel van zandsteen met marmeren borstweringen aan laten leggen, waarbij hij de symmetrische mode van de zeventiende-eeuwse architectuur volgde.

De pracht en praal die de toonaangevende Joodse familie de Pinto uitdroeg om zich te manifesteren als trotse joden, wreekte zich in 1696, het jaar waarin hun huis geplunderd werd ten gevolge van het Aansprekersoproer. De burgerij trad op: ‘Het huijs was van boven tot beneden schrickelijck met bloed bespat ende besoetelt. Het vloeijde langhs de trappen en op de vloer als water’. Ook werd er snelrecht toegepast en in minder dan een dag werden een aantal plunderaars ter dood veroordeeld. Een van oproerkraaiers zou opgehangen zijn met het gestolen gele tafelkleed van de Pinto’s nog om de schouders. De Pinto’s, op het moment van de plundering toevallig in Den Haag bedankten vriendelijk voor een vergoeding van de stad en compenseerden het verlies uit eigen middelen.

Halverwege de achttiende eeuw begon de familie zich terug te trekken uit Amsterdam. Het ‘hof’ werd in 1756 verkocht aan de apotheker Avink, en na het faillissement van het bankiersbedrijf in 1761 werden ook hun andere Amsterdamse huizen en buitenplaatsen verkocht. De naam Pinto leefde echter voort. Tegelijkertijd ontwikkelde de Sint Antonesbreestraat zich meer en meer als tweedehands winkelstraat, vooral bekend om de stoffenhandel.

Huis De Pinto herbergde in de negentiende eeuw dan ook een stoffenmagazijn annex ‘fabrikant van gestikte Watten-Dekens’. Dit bedrijf leek nog het hele pand te beslaan, maar in de twintigste eeuw werd het gebouw in tweeën gedeeld. Na onder andere plek te bieden aan een meubelhandel, een kassa-groothandel en een aannemer raakte Huis De Pinto in verval. In 1968 kocht de gemeente het pand aan, met de bedoeling het te laten slopen.

De Dienst Publieke Werken had zijn zinnen gezet op de zogenaamde Cityvorming; kantoren en hotels in de Nieuwmarktbuurt en een vierbaansweg dwars door de Sint Antoniesbreestraat. Maar de Stichting De Pinto, geïnitieerd door Geurt Brinkgreve, wist het pand te behouden en liet het restaureren. Daardoor bleef de historische rooilijn in stand en werden er na de metroaanleg weer woonhuizen gebouwd. Met financiële steun van  onder meer Koningin Juliana, de Nederlandse Bank en andere gulle gevers werd de restauratie van Huis De Pinto bekostigd. Een fraaie plaquette in het trappenhuis herinnert hier aan. Vanaf 1975 kreeg het pand een buurtfunctie; op de begane grond kwam een filiaal van de Openbare Bibliotheek. Toen in 2005 bekend werd dat de bibliotheek zou worden opgeheven, beijverde een groep buurtbewoners zich voor een culturele functie van het pand voor de buurt. Na veel actievoeren en daaropvolgende constructieve gesprekken, kon Huis De Pinto voor de buurt blijven bestaan. 

Vanaf februari 2014 is hier nu het Literair en Cultureel ontmoetingscentrum Huis De Pinto gevestigd met een ruilbibliotheek. Ook worden er diverse culturele activiteiten georganiseerd. Filmavonden, boekpresentaties, lezingen, cursussen, theater- en muziekoptredens, tentoonstellingen en kunstprojecten maken het Huis De Pinto weer tot een bruisend centrum in de Nieuwmarktbuurt.